De genetische code ligt echter verspreid over een gen in zogenaamde exonen. Tussen de exonen liggen intronen, die geen eiwit informatie bevatten. Voor het RNA naar de eiwit fabriek kan, moeten deze intronen worden verwijderd en de exonen aan elkaar worden geplakt (Figuur 1). Dit gebeurt in de celkern tijdens een proces dat "splicing" heet. Na de splicing ontstaat een RNA dat alleen de genetische code bevat (boodschapper of "messenger" RNA (mRNA)). Dit boodschapper RNA wordt vertaald in eiwit.

Figuur 1. De genetische code ligt verspreid over exonen, die worden onderbroken door stukken DNA die geen eiwit informatie bevatten (intronen). Er wordt eerst een RNA kopie gemaakt van het hele gen, waar vervolgens tijdens de splicing de intronen uit worden verwijderd en de exonen aan elkaar worden gezet. Het resulterende boodschapper RNA bevat de genetische code van een eiwit en kan worden vertaald door de eiwit fabriek. Het dystrofine gen heeft 79 exonen.


Door de deleties van Duchenne patiënten gaat de genetische code verloren (in Figuur 3 passen exon 47 en exon 51 niet op elkaar). De gevolgen hiervan zijn desastreus (Figuur 4).


Figuur 4. De gevolgen van een verbroken genetische code. Bovenaan is het originele RNA en eiwit uit Figuur 3 te zien. In de onderste figuur is de genetische code verbroken (of verschoven) (hier door het verdwijnen van twee RNA eiwit bouwstenen). Omdat steeds drie RNA bouwstenen de code bevatten voor één eiwit bouwsteen zijn de gevolgen van deze verschuiving groot. In plaats van blauw-geel-geel, is de code nu geel-blauw-geel. Ook alle volgende codes zijn verschoven en na de mutatie worden de verkeerde eiwitbouwstenen ingebouwd (groen en oranje in plaats van blauw en geel). Aangezien de functie van een eiwit wordt bepaald door de bouwstenen, is een eiwit dat wordt opgebouwd uit verkeerde bouwstenen niet functioneel (ter vergelijking: het is onmogelijk om met een bouwpakket voor een vliegtuig een goede, functionerende auto te bouwen).

Figuur 5. Een duplicatie in het dystrofine gen. Een normaal dystrofine gen heeft 79 exonen die worden onderbroken door intronen. Bij sommige patiënten is een deel van het gen verdubbeld (in dit voorbeeld exon 48, 49 en 50). Ook bij duplicaties zijn zowel de exonen als de intronen verdubbeld, maar worden alleen de exonen genoemd in de duplicatie: in dit geval dus een duplicatie van exon 48-50.


Kleine mutaties
Iets meer dan een kwart van de Duchenne patiënten (28%)
hebben een kleine mutatie. Hierbij zijn alle exonen gewoon
aanwezig, maar is een van de bouwstenen van het DNA (en dus het RNA) veranderd (Figuur
7). Door deze verandering ontstaat er een vroegtijdig stop
signaal, zodat het eiwit niet afgemaakt kan worden.

Figuur 7. Bij een puntmutatie is één van de DNA bouwstenen veranderd. Aangezien de RNA kopie is gebaseerd op het DNA origineel, zal het RNA ook deze fout bevatten. In het voorbeeld is een blauwe bouwsteen veranderd in een rode. De blauwe bouwsteen vormde het begin van de blauw-geel-geel code, die wordt vertaald in een blauwe eiwit bouwsteen. Echter, de rood-geel-geel code is een "stop signaal". In plaats van een blauwe eiwit bouwsteen stopt de vertaling dus vroegtijdig. Het gevolg is dat er geen goed eiwit gevormd kan worden, aangezien de helft van de eiwit bouwstenen niet aanwezig is.
Naast puntmutaties, kan het ook gebeuren dat één of twee DNA bouwstenen verdwijnen of extra worden toegevoegd in een exon. Dit heeft een verschuiving van de genetische code tot gevolg (net als bij een deletie of duplicatie).
Ten slotte kunnen kleine mutaties ook de splicing (het samenvoegen van alle exonen) verstoren. Het begin en einde van alle intronen bestaan uit een bepaalde combinatie van bouwstenen, die herkend worden door de splicing machine (Figuur 8). Wanneer een van deze bouwstenen verandert zal een exon niet meer herkend worden en kan de genetische code worden verstoord (Figuur 9 en 10).

Figuur 8. Tijdens het proces van splicing worden de intronen verwijderd en de exonen aan elkaar gezet. De splicing machine die verantwoordelijk is voor dit proces herkent de laatste en eerste twee bouwstenen van een intron ("splice sites"). Alle intronen eindigen met een gele en een groene bouwsteen, terwijl alle intronen beginnen met een groene en een rode bouwsteen.

Figuur 9. Een verandering van een bouwsteen in een splice site (de laatste twee bouwstenen van een intron, of de eerste twee bouwstenen van een intron) verstoord de herkenning van een exon. In het voorbeeld is de geel-groen code veranderd in een geel-rood code. Dit wordt niet herkend.

Figuur 10. Het gevolg van een mutatie in een "splice site". Bij het tweede exon is een bouwsteen veranderd (zie figuur 9), waardoor het exon niet meer goed wordt herkend (het exon lijkt meer op een intron dan een exon). Het gevolg is dat bij het aan elkaar zetten van alle exonen, dit tweede exon wordt overgeslagen. Dit verstoort de genetische code (de overgebleven exonen passen niet goed op elkaar).