Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek

   HOME:
 

Forensisch DNA-onderzoek

Forensisch DNA-onderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Het FLDO voert in opdracht van justitie, de politie, de officier van justitie of de rechter commissaris de onderzoeken uit. Naast regulier onderzoek wordt er door het FLDO ook contra-expertise onderzoek uitgevoerd.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) levert meestal het te onderzoeken biologisch celmateriaal aan het FLDO. Het biologische celmateriaal kan zich bevinden op voorwerpen die gevonden zijn op de plaats delict en kan afkomstig zijn van referentiepersonen (slachtoffers of verdachten) die mogelijk betrokken zijn bij een misdrijf. Door middel van een DNA-onderzoek wordt vastgesteld van wie het biologisch celmateriaal afkomstig kan zijn.
Als er een DNA-profiel aanwezig is, zullen de kenmerken worden opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken, mist het voldoet aan de criteria. Met deze kenmerken wordt naar een match gezocht.

Afhankelijk van de vraagstelling en de hoeveelheid aan biologisch celmateriaal wordt gekozen welke DNA-onderzoeksmethode zal worden toegepast. Om aanvullende informatie te verkrijgen kan het DNA-onderzoek worden uitgebreid met Y-chromosomaal DNA-onderzoek, mitochondriaal DNA (mtDNA)-onderzoek of onderzoek naar  etnische- of geografische origine.

Net zoals bij verwantschapsonderzoek is bij forensisch DNA-onderzoek het aantal kenmerken op het DNA dat wordt onderzocht bepalend voor de betrouwbaarheid. Hoe meer kenmerken worden onderzocht en worden verkregen, hoe betrouwbaarder het DNA-onderzoek, waardoor de bewijskracht verhoogd wordt.


De kenmerken van de DNA-profielen van sporen en referentiepersonen worden met elkaar vergeleken.
Als de kenmerken tussen het spoor en een referentiepersoon niet overeenkomen, kan op basis hiervan worden geconcludeerd dat de referentiepersoon kan worden uitgesloten als mogelijke donor van het in het spoor aanwezige biologische celmateriaal.

Als de kenmerken tussen het spoor en de referentiepersoon allen overeenkomen, kan worden geconcludeerd dat de referentiepersoon niet kan worden uitgesloten als mogelijke donor van het in het spoor aanwezige celmateriaal. De kans dat een willekeurige persoon, welke geen bloedverwant is van de referentiepersoon, hetzelfde DNA‑profiel bezit als dat van het sporenmateriaal zal statistisch worden berekend, op basis van een groot Nederlands databestand.

Sommige DNA-onderzoeken zijn te complex (bv. door mengsels) voor een vergelijking. Er zal dan geen kansberekening worden uitgevoerd. Wel zal een indicatie worden gegeven over de kans dat een willekeurig gekozen persoon niet kan worden uitgesloten als mogelijke donor van (een deel van) het in het spoor aanwezige celmateriaal.